Jan Willem Dik (senior projectmanager) geeft 7 tips over testen en valideren

‘Bepalen wat er getest en gevalideerd moet worden is iets wat je met het team samen doet. Als projectmanagers is het vooral onze taak om te zorgen dat het goed gebeurt en dat de zwaarte van het testplan in verhouding staat met de complexiteit van het product. Hoe we dat doen?

Tip 1: Ga er van uit dat het NIET werkt

Als team heb je vaak zelf de oplossing bedacht. Het gevaar is dat je dan weinig kritisch bent: de slager die z’n eigen vlees keurt. Dit voorkom je door er vanuit te gaan dat iets NIET werkt en vervolgens het tegendeel te bewijzen.


Laat het testplan ook eens reviewen door collega’s of externen buiten het project. Ik heb bijvoorbeeld een project gedaan voor een startup in de vliegtuigindustrie. Dan moet je vanaf scratch beginnen, dus zijn we om tafel gegaan met engineers van vliegtuigbouwers, de klanten, om er achter te komen welke aspecten we zeker moesten valideren.

Tip 2: Start met een risicoanalyse

Om te bepalen hoe uitgebreid je moet testen en valideren, start ik altijd met een risicoanalyse. Stel je moet een hek in een weiland zetten. Als je dat niet goed valideert en het zakt scheef, hang je hem weer recht. Maar ontwikkel je een satelliet die 20 jaar om de aarde moet blijven draaien, dan wil je elk onderdeel uitgebreid valideren. Belangrijke vragen om met het team te beantwoorden: Hoe doen anderen het? Hoe deden we het in een vorig project? Vergeten we niks? Wat is echt nieuw en wat is eigenlijk in een vorige versie van het product al aangetoond? Met je boerenverstand kom je vaak een heel eind.

Tip 3: Hoe eerder, hoe beter

Testen en valideren is niet alleen iets voor aan het eind van het project, maar gebeurt in elke fase en  zowel technisch als commercieel. Zelfs als je nog helemaal geen product ontwikkeld hebt of niet eens weet of het maakbaar is, kun je al testen of de eindgebruiker wel op je idee zit te wachten. Je kunt bijvoorbeeld al een zogenaamd echt product in de winkel leggen en kijken of iemand het uit het schap pakt.

Tip 4: Test deelaspecten

Door dingen in stukjes te hakken, kun je verschillende delen apart testen. In één van mijn projecten wilden we bijvoorbeeld het gebruiksgemak van het plaatsnemen in het product testen. In plaats van het hele ding te bouwen, hebben we alleen een piepschuimen mock-up gemaakt van het opstapje. Een stuk sneller en efficiënter.

Tip 5: Testen is niet hetzelfde als valideren

Kortgezegd test je om te proberen of iets werkt, vaak een iteratief proces. Vervolgens check je of het product aan de eisen voldoet (verificatie) en toon je aan dat je voor de gebruiker het juiste product gemaakt hebt (validatie). In de rest van dit artikel wordt met ‘validatie’ naar zowel verificatie als validatie verwezen. Bij testen, bijvoorbeeld met een interview met een consument, een ergonomische proefopstelling of een breadboard prototype, is statistiek minder van belang. Maar valideren met één product is geen goed idee. Zorg voor een representatief aantal om spreiding te ondervangen.

Tip 6: The odd one

Wat ik vaak zie gebeuren, is dat als er bijvoorbeeld 50 onderdelen getest worden en er zijn er 49 goed en 1 fout, dat die ene fout gezien wordt als een uitzondering en genegeerd wordt. Dit kan echter een heel belangrijk signaal zijn dat er toch iets niet goed zit, wat straks in de markt tot een groot probleem kan leiden. Negeer zo’n fout dus niet.

Tip 7: Overweeg eens een Design of Experiments (DoE)

Wanneer je een ingewikkeld maar belangrijk vraagstuk hebt met verschillende factoren die door elkaar spelen, overweeg dan een ‘Design of Experiments’. Daarbij worden in een matrix van experimenten verschillende variabelen veranderd. Met behulp van software op basis van statistiek kun je verbanden ontdekken tussen de ‘knoppen’ waaraan je kunt draaien en de procesuitkomsten. Dit kost echt tijd en moeite, maar hiermee kom je wel op een gestructureerde manier tot resultaten en inzichten, in plaats van veel trial en error.'

Terug naar overzicht